verwaten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·wa·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘trots’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1679 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen verwaten verwatener verwatenst
verbogen verwatenste
partitief verwatens verwateners -

Bijvoeglijk naamwoord

verwaten

  1. (verouderd) verdoemd, vervloekt, verbannen
    • Diversche ketteren voortyden verdomt ende verwaten. 
  2. (verouderd) laatdunkend
  3. hautain, arrogant
Opmerkingen
  • De moderne betekenis is sinds de tweede helft 18e eeuw bekend en mogelijk ontstaan naar analogie van verwaand.

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
14 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen


Middelnederlands

Bijvoeglijk naamwoord

verwaten

  1. verdoemd, vervloekt, in de ban gedaan