vervloekt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·vloekt
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van vervloeken: de stam met de uitgang -t, zonder ge- vanwege voorvoegsel

Werkwoord

vervoeging van
vervloeken

vervloekt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vervloeken
    • Jij vervloekt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vervloeken
    • Hij vervloekt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van vervloeken
    • Vervloekt! 
  4. voltooid deelwoord van vervloeken

Tussenwerpsel

vervloekt

  1. (krachtterm) drukt verontwaardiging of boosheid uit
    • Vervloekt, dat zet ik je betaald! 
stellend
onverbogen vervloekt
verbogen vervloekte
partitief vervloekts

Bijvoeglijk naamwoord

vervloekt

  1. (krachtterm) waar men boze gevoelens over koestert
    • Die vervloekte kerel moet me dat niet nog een keer flikken! 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.