verval

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·val
enkelvoud meervoud
naamwoord verval -
verkleinwoord vervalletje -

Zelfstandig naamwoord

verval o [1]

  1. het verslechteren van een toestand, degeneratie
  2. het niet meer gelden, het afgeschaft zijn
  3. verticale verloop van een watergang tussen twee plaatsen of bij eb en vloed op eenzelfde plaats
  4. terugval in de prestatie als gevolg van toenemende vermoeidheid
  5. radioactieve verval van isotopen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
vervallen

verval

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vervallen
    • Ik verval. 
  2. gebiedende wijs van vervallen
    • Verval! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vervallen
    • Verval je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen