verstoken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sto·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verstoken
verstookte
verstookt
zwak -t volledig

Werkwoord

verstoken [1]

  1. overgankelijk verbruiken door te stoken
Afgeleide begrippen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
versteken

verstoken

  1. voltooid deelwoord van versteken
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen verstoken verstokener verstokenst
verbogen verstokenste
partitief verstokens verstokeners -

Bijvoeglijk naamwoord

verstoken [3]

  1. ~ zijn van iets ontberen
    • Door de enorme verkeersproblemen was het ziekenhuis verstoken van een aantal belangrijke toeleveringen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen