versagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sa·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘de moed verliezen’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • van het Duits (met het voorvoegsel ver-) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
versagen
versaagde
versaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

versagen

  1. ergatief, inergatief de moed opgeven
    • Dit impliceert dat een collectieve verantwoordelijkheid versaagd is in de afgelopen decennia. 
    • Er wordt niet versaagd in de rustperiode. 
Vertalingen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen