verplaatsten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·plaats·ten

Werkwoord

vervoeging van
verplaatsen

verplaatsten

  1. meervoud verleden tijd van verplaatsen
    • Wij verplaatsten. 
    • Jullie verplaatsten. 
    • Zij verplaatsten.