verpand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·pand

Werkwoord

vervoeging van
verpanden

verpand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verpanden
    • Ik verpand. 
  2. gebiedende wijs van verpanden
    • Verpand! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verpanden
    • Verpand je? 
  4. voltooid deelwoord van verpanden

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.