veroveraar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Spaanse verorveraar in Brielle
Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ove·raar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veroveraar veroveraars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

veroveraar m [1]

  1. een vreemdeling die een gebied overmeestert
    • De Duitse veroveraars hebben een groot deel van Europa overmeesterd. 
     Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren![2]
  2. iemand die de liefde van een vrouw weet op te wekken
    • De veroveraar had weinig interesse meer in de vrouw toen zijn versierpogingen gelukt waren. 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 10
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be