verordonneren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·or·don·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

verordonneren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verordonneren
verordonneerde
verordonneerd
zwak -d volledig
  1. dwingend voorschrijven
    • Ik kan er als patiënt niet op vertrouwen dat het werkelijk vanwege de kwaliteit is dat ik niet meer voor slokdarmkanker naar Purmerend mag. Waarom dit zo autoritair opleggen, in extern afgedwongen tempo? En als verzekeraars verordonneren dat ziekenhuizen hierover onderling moeten onderhandelen, hoe vertrouwenwekkend is dan het kwartetten: 'mag ik van jou de nierdialyse, dan krijg je van mij behandeling tegen baarmoederhalskanker?' [2] 
    • Wel verordonneren dat overheidstekorten de 3 procent niet mogen overstijgen, maar niets afspreken over de hoogte van de werkloosheid in de lidstaten. Die percentages zijn kennelijk ongelimiteerd. Daar wringt iets. [3] 
    • Die feestdag kwam er, alleen weigerde het toenmalige kabinet te verordonneren dat 5 mei voortaan een vrije dag zou zijn. ,,Simpelweg omdat het te veel geld kostte’’, zegt onderzoeker Ilse Raaijmakers van het Arq Kenniscentrum Oorlog, Vervolging en Geweld. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen