verontschuldiging
Uiterlijk
- ver·ont·schul·di·ging
- Naamwoord van handeling van verontschuldigen met het achtervoegsel -ing
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | verontschuldiging | verontschuldigingen |
| verkleinwoord | verontschuldigingetje | verontschuldigingetjes |
de verontschuldiging v
- een erkenning dat men een fout begaan heeft in de hoop een beschadigde relatie te herstellen
- Ik bied mijn verontschuldigingen aan dat het zo lang geduurd heeft.
- ▸ In een interview in 2009 met Mare zei Buikhuisen dat hij nog altijd last had van de affaire. Hij zei nog elke keer te hopen op een verontschuldiging als hij post kreeg van de universiteit. "Dat ze gewoon een beetje erkennen: we zijn toch wel tekortgeschoten. Ik zou daar heel blij mee zijn."[1]
- Het woord verontschuldiging staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "verontschuldiging" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑
Weblink bron “Criminoloog Wouter Buikhuisen (91) overleden” (10 mei 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be