vermochten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·moch·ten

Werkwoord

vervoeging van
vermogen

vermochten

  1. meervoud verleden tijd van vermogen
    • Wij vermochten. 
    • Jullie vermochten. 
    • Zij vermochten.