verloven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·lo·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verloven
verloofde
verloofd
zwak -d volledig

Werkwoord

verloven

  1. (wederkerend) zich ~: iemand een (informele) belofte om te trouwen geven
    De kroonprins verloofde zich met een burgermeisje.
    Hij doet haar een huwelijksaanzoek en ze verloven zich.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

verloven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord verlof