verkrachting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·krach·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verkrachting verkrachtingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

verkrachting v

  1. gewelddaad die leidt tot het seksueel binnendringen van de vagina of anus (met de penis of een voorwerp) tegen de zin in van het slachtoffer
  2. (juridisch)
    1. (Nederlands Wetboek van Strafrecht, § 242) door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand [dwingen] tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
    2. (Belgisch Wetboek van Strafrecht, § 375) elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt
    • Hij werd veroordeeld voor geweldpleging en verkrachting. 
  3. (figuurlijk) ernstige overtreding of schending (van de wetten, rechtsstaat e.d.)
  4. (figuurlijk) door een slechte opvoering bederven (van een toneelstuk, e.d.)
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be