verkazen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ka·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van kaas met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verkazen
verkaasde
verkaasd
zwak -d volledig

Werkwoord

verkazen

  1. overgankelijk tot kaas maken
    • De melk van de koeien werd voor een groot deel verkaasd. 
  2. ergatief (spottend) Nederlands worden, Nederlandse gewoonten en opvattingen aannemen
    • Mijn broer is echt verkaasd. 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.