verhoog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·hoog
enkelvoud meervoud
naamwoord verhoog verhogen
verkleinwoord verhoogje verhoogjes

Zelfstandig naamwoord

verhoog o

  1. een verhoogde plaats, een podium
    • Zij was op het verhoog gaan staan om beter de mensen te kunnen toespreken. 

Werkwoord

vervoeging van
verhogen

verhoog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verhogen
    • Ik verhoog. 
  2. gebiedende wijs van verhogen
    • Verhoog! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verhogen
    • Verhoog je? 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be