verhelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
verhelen verheeld
verheling verholen


Woordafbreking
  • ver·he·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verhelen
verheelde
verheeld
(verholen) *
zwak -d

klasse 4
gemengd

volledig

Werkwoord

verhelen

  1. overgankelijk aan het zicht onttrekken
    • Was het nieuwe kiesstelsel al zeer ingrijpend, de instelling van een college van burgergecommitteerden naast de vroedschap was ronduit ‘revolutionair’. De vrij gekunstelde verwijzing naar de meentemannen uit 1491 kon niet verhelen dat het hier om een wezenlijk nieuwe instelling ging. [4]
    • Zijn minachting was nauwelijks verholen te noemen. 
Opmerkingen
  • Zowel Lamber ten Kate (1723)[5] als Hendrik Pieterson (1782)[6] hebben nog een geheel sterke verbuiging (klasse 2): verhelen - verhool - verholen. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal was er oorspronkelijk een sterke verbuiging volgens klasse 4: verhelen - verhal - verholen, maar komt in het Nederlands alleen de laatste vorm soms nog voor. Aangezien in middeleeuwse teksten "verhal" inderdaad voorkomt lijkt deze laatst opvatting juist.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen