verheimelijken/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van verheimelijken | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | verheimelijken | te verheimelijken | ||||||||
| toekomend | zullen verheimelijken | te zullen verheimelijken | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben verheimelijkt | te hebben verheimelijkt | ||||||||
| toekomend | verheimelijkt zullen hebben | verheimelijkt te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| verheimelijkend | verheimelijkt | ev. verheimelijk | mv. verouderd verheimelijkt | verheimelijke | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | verheimelijk | verheimelijkt | verheimelijkt | verheimelijkt | verheimelijkt | verheimelijken | verheimelijken | verheimelijken | |||
| verleden (o.v.t.) | verheimelijkte | verheimelijkte | verheimelijkte | verheimelijkte | verheimelijkte | verheimelijkten | verheimelijkten | verheimelijkten | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal verheimelijken | zult/zal verheimelijken | zult/zal verheimelijken | zult verheimelijken | zal verheimelijken | zullen verheimelijken | zullen verheimelijken | zullen verheimelijken | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou verheimelijken | zou verheimelijken | zou(dt) verheimelijken | zoudt verheimelijken | zou verheimelijken | zouden verheimelijken | zouden verheimelijken | zouden verheimelijken | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb verheimelijkt | hebt verheimelijkt | hebt/heeft verheimelijkt | hebt verheimelijkt | heeft verheimelijkt | hebben verheimelijkt | hebben verheimelijkt | hebben verheimelijkt | |||
| verleden (v.v.t.) | had verheimelijkt | had verheimelijkt | had verheimelijkt | hadt verheimelijkt | had verheimelijkt | hadden verheimelijkt | hadden verheimelijkt | hadden verheimelijkt | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal verheimelijkt hebben | zal/zult verheimelijkt hebben | zult/zal verheimelijkt hebben | zult verheimelijkt hebben | zal verheimelijkt hebben | zullen verheimelijkt hebben | zullen verheimelijkt hebben | zullen verheimelijkt hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou verheimelijkt hebben | zou verheimelijkt hebben | zou/zoudt verheimelijkt hebben | zoudt verheimelijkt hebben | zou verheimelijkt hebben | zouden verheimelijkt hebben | zouden verheimelijkt hebben | zouden verheimelijkt hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm verheimelijkt worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt verheimelijkt | er is verheimelijkt | |||||||||
| verleden | er werd verheimelijkt | er was verheimelijkt | |||||||||
| toekomend | er zal verheimelijkt worden | er zal verheimelijkt zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou verheimelijkt worden | er zou verheimelijkt zijn | |||||||||
| lijdende vorm verheimelijkt worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | verheimelijkt worden | verheimelijkt te worden | ||||||||
| toekomend | verheimelijkt zullen worden | verheimelijkt te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | verheimelijkt zijn | verheimelijkt te zijn | ||||||||
| toekomend | verheimelijkt zullen zijn | verheimelijkt te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word verheimelijkt | wordt verheimelijkt | wordt verheimelijkt | wordt verheimelijkt | wordt verheimelijkt | worden verheimelijkt | worden verheimelijkt | worden verheimelijkt | |||
| verleden (o.v.t.) | werd verheimelijkt | werd verheimelijkt | werd verheimelijkt | werdt verheimelijkt | werd verheimelijkt | werden verheimelijkt | werden verheimelijkt | werden verheimelijkt | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal verheimelijkt worden | zult verheimelijkt worden | zult verheimelijkt worden | zult verheimelijkt worden | zal verheimelijkt worden | zullen verheimelijkt worden | zullen verheimelijkt worden | zullen verheimelijkt worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou verheimelijkt worden | zou verheimelijkt worden | zou/zoudt verheimelijkt worden | zoudt verheimelijkt worden | zou verheimelijkt worden | zouden verheimelijkt worden | zouden verheimelijkt worden | zouden verheimelijkt worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben verheimelijkt | bent verheimelijkt | bent/is verheimelijkt | zijt verheimelijkt | is verheimelijkt | zijn verheimelijkt | zijn verheimelijkt | zijn verheimelijkt | |||
| verleden (v.v.t.) | was verheimelijkt | was verheimelijkt | was verheimelijkt | waart verheimelijkt | was verheimelijkt | waren verheimelijkt | waren verheimelijkt | waren verheimelijkt | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal verheimelijkt zijn | zult verheimelijkt zijn | zult verheimelijkt zijn | zult verheimelijkt zijn | zal verheimelijkt zijn | zullen verheimelijkt zijn | zullen verheimelijkt zijn | zullen verheimelijkt zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou verheimelijkt zijn | zou verheimelijkt zijn | zou/zoudt verheimelijkt zijn | zoudt verheimelijkt zijn | zou verheimelijkt zijn | zouden verheimelijkt zijn | zouden verheimelijkt zijn | zouden verheimelijkt zijn | |||