vergissen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·gis·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vergissen
vər'ɣɪsə(n)
vergiste
vər'ɣɪstə
vergist
vər'ɣɪst
zwak -t volledig

Werkwoord

vergissen

  1. wederkerend zich ~: tot een foutieve conclusie komen, meestal te goeder trouw
    • Hij vergiste zich in het huisnummer en klopte aan bij een wildvreemde. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie