vergevensgezindheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ge·vens·ge·zind·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vergevensgezindheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vergevensgezindheid v

  1. de geneigdheid het iemand niet meer kwalijk te nemen van een ernstige daad
     Evenzeer verontrustte hem de gedachte aan de brief, die hij haar had geschreven; maar het waren bovenal zijn vergevensgezindheid waaraan niemand behoefte had gehad en zijn grote bezorgdheid voor het hem vreemde kind, die zijn hart deden branden van schaamte en spijt.[1]
     Enkele jaren geleden kenschetste A. Lock, directeur van de Evangelische Omroep, de boodschap van het gebeuren als volgt: „Heb uw naaste lief. En: wie zonder zonde is, werpe de eerste steen. Ik probeer naar mezelf te kijken, naar wat ik fout doe, wat ik beter zou moeten doen. Dat is denk ik wat Jezus wilde dat ik zou doen. En vergevensgezindheid onderstrepen (...).”[2]
Synoniemen


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Lev Tolstoj (vert. Wils Huisman) op WikipediaAnna Karenina” op Wikipedia (1877), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028276062
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 maart 2022 Weblink bron K. A. Gort “The Passion vervalst intentie van Heilige Schrift” (27 maart 2018), Reformatorisch Dagblad