verenigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
verenigen verenigend
vereniging verenigbaar
- verenigd
Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·eni·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘samenvoegen’ voor het eerst aangetroffen in 1351 [1]
  • Afgeleid van de stam een met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -ig.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verenigen
verenigde
verenigd
zwak -d volledig

Werkwoord

verenigen

  1. overgankelijk afzonderlijke delen tot één geheel maken
    • Het was de droom van Schuman geheel Europa te verenigen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen