verdooldheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·doold·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verdooldheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

verdooldheid v [1]

  1. de weg kwijt zijn
  2. in moreel ethisch opzicht afgedwaald zijn; het niet meer weten wat te doen of te denken
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen