verbleken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ble·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbleken
verbleekte
verbleekt
zwak -t volledig

Werkwoord

verbleken

  1. ergatief alle kleur verliezen
    • Hij verbleekte toen hij het slechte nieuws vernam. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.