verbeuren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·beu·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘als straf verliezen’ voor het eerst aangetroffen in 1237 [1]
  • Afgeleid van beuren met het voorvoegsel ver-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbeuren
verbeurde
verbeurd
zwak -d volledig

Werkwoord

verbeuren

  1. overgankelijk het recht op iets verliezen
    • Hij verbeurde daarmee zijn leven. 
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen