verbeiden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbeiden
verbeidde
verbeid
zwak -d volledig

Werkwoord

verbeiden

  1. inergatief in afwachting van iets geduld oefenen
    • Zij verbeidden zijn terugkomst. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
37 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen