veranderlijkheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·an·der·lijk·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veranderlijkheid veranderlijkheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

veranderlijkheid v [2]

  1. het (snel) kunnen veranderen
    • Mijn geachte tegenvoeter lijkt ook niet veel oog te hebben voor de snelle veranderlijkheid van de kiezersgunst in de laatste twintig jaar. De VVD van Rutte stond anderhalf jaar geleden op twaalf zetels in de peilingen, vijf minder dan de PvdA van Cohen nu. Partijvoorzitter Opstelten werd half voor gek verklaard, toen hij in die periode de ambitie uitsprak 35 zetels te halen. [3] 
    • "Zijn schrikwekkend vermogen zich onophoudelijk te vernieuwen, te 'renoveren' dus, is in tegenspraak met alle wetten van jong zijn en oud worden," schreef de fameuze journalist en auteur Joseph Roth toen hij in 1929 de Kurfürstendamm bezocht. "Onveranderlijk is zijn veranderlijkheid. Lankmoedig is zijn ongeduld, volhardend zijn onbestendigheid." Zo is het, weten we nu, niet alleen met de Kurfürstendamm, maar met héél Berlijn. [4] 
  2. iets dat snel verandert


Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen