ver­schif­fen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: / fɛɐ̯ˈʃɪfn̩ /
Woordafbreking
  • ver·schif·fen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ver­schif­fen
ver­schif­fte
ver­schif­ft
zwak volledig met "haben"

Werkwoord

ver­schif­fen

  1. overgankelijk verschepen
    «Nächste Woche werde ich ein Auto in die USA verschiffen lassen.»
    Volgende week zal ik een auto in de Verenigde Staten laten verschepen.
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen