ventrikel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ven·tri·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘orgaanholte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1568 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ventrikel ventrikels
verkleinwoord ventrikeltje ventrikeltjes

Zelfstandig naamwoord

ventrikel o

  1. (anatomie) één van twee kamers van het hart
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders
67 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen