veinzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vein·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘huichelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
veinzen
veinsde
geveinsd
zwak -d volledig

Werkwoord

veinzen

  1. inergatief zich onecht voordoen, iemand in de waan trachten te brengen
    • Hij veinsde er niets mee te maken te hebben, ook al was hij de voornaamste boosdoener. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen