veiller
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| veiller |
veillais |
veillé |
| eerste groep | volledig | |
veiller
- onovergankelijk waken; opzettelijk wakker blijven
- onovergankelijk wakker zijn
- onovergankelijk ~ à: waken [4] over iets
- overgankelijk bij iemand waken [3]; bij een stervende of zieke zitten
- overgankelijk bij iemand de nacht waken; voor iemand zorgen tijdens de nacht
- ↑ veiller (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.