veehouder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vee·hou·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veehouder veehouders
verkleinwoord veehoudertje veehoudertjes

Zelfstandig naamwoord

veehouder m [2]

  1. (beroep) (veeteelt) boer die leeft van veeteelt
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal