veeg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • veeg
enkelvoud meervoud
naamwoord veeg vegen
verkleinwoord veegje veegjes

Zelfstandig naamwoord

veeg v/m

  1. een klap.
  2. een vlek ontstaan door vegen.
  3. een slag of streek.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen veeg veger veegst
verbogen vege vegere veegste
partitief veegs vegers -

Bijvoeglijk naamwoord

veeg

  1. onheilspellend, hachelijk.
    • Dat is een veeg teken. 

Werkwoord

vervoeging van
vegen

veeg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vegen
    • Ik veeg. 
  2. gebiedende wijs van vegen
    • Veeg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vegen
    • Veeg je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.