Naar inhoud springen

veeg

Uit WikiWoordenboek
  • veeg
enkelvoud meervoud
naamwoord veeg vegen
verkleinwoord veegje veegjes

deveegv/m

  1. klap
  2. vlek ontstaan door vegen
     'Hoor je me? Wegwezenl' Nella deinst achteruit, geschokt door de felheid in Marens stem, haar furieuze blik de schokkende veeg bloed op haar wang.[8]
     En zag opeens een veeg grijs in zijn haar die me eerder nog niet was opgevallen.[9]
     Hoezo? Is er iets mee?' Ze liet haar duim over de hals glijden, een schone veeg door het stof.[10]
  3. slag of streek
     Die kan wel een veeg lippenstift gebruiken.[11]

[3] "slag of streek"

  • Een veeg uit de pan krijgen
Zwaar beschimpt of berispt worden
enkelvoud meervoud
naamwoord veeg vegen
verkleinwoord veegje veegjes

deveegv

  1. een lastige en venijnige vrouw
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen veegvegerveegst
verbogen vegevegereveegste
partitief veegsvegers-

veeg

  1. niets goeds voorspellend
    • Dat is een veeg teken. 
     Achteraf was het een veeg teken.[11]
  2. (verouderd) bijna dood
  3. (verouderd) zwak

[1] "niets goed voorspellend"

  • Een veeg teken
Een slecht voorteken

[3] "zwak"

  • Het vege lijf [trachten te] redden
Voor een gevaar vluchten, zichzelf in veiligheid brengen
  • Zo veeg zijn als een luis op een kam
In groot gevaar zijn.
vervoeging van
vegen

veeg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vegen
    • Ik veeg. 
  2. gebiedende wijs van vegen
    • Veeg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vegen
    • Veeg je? 
     Ik veeg er met mijn wijsvinger over.[9]
     Ik veeg hem snel weg.[9]
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[12]