vedelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ve·de·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vedelen
vedelde
gevedeld
zwak -d volledig

Werkwoord

vedelen

  1. inergatief (muziek) op een vedel spelen
    • Op de muziekbijeenkomst voor Oude Muziek werd uitbundig gevedeld en kromhoorn gespeeld. 
  2. inergatief (muziek) met een viool volksmuziek spelen, al of niet voor geld
    • Nooit heeft hij 't brood gebedeld,
      Ofschoon dat meerder won;
      Hij heeft er om gevedeld
      Tot hij 't ontberen kon.[1]
       

Gangbaarheid

21 % van de Nederlanders;
27 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Een speelman P.J. v.d. Noordaa Zaanlandsch jaarboekje voor het jaar 1853.