vastzit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·zit

Werkwoord

vervoeging van
vastzitten

vastzit

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vastzitten
    • ... dat ik vastzit. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vastzitten
    • ... dat jij vastzit. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vastzitten
    • ... dat hij vastzit.