vastigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vas·tig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vastigheid vastigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vastigheid v [2]

  1. zekerheid dat zaken niet op een onvoorspelbare manier zullen veranderen
    • In de exacte wetenschappen valt de appel telkens even snel, en te allen tijde omlaag. Wij zijn weleens jaloers op zoveel vastigheid. Geen enkele politicoloog slaagde er ooit in om een verkiezingsuitslag perfect te voorspellen, of het was per ongeluk. Zoals Paul de Octopus, die voetbalresultaten kon orakelen.[3] 
    • BMK en BOINK hopen dat het nieuwe kabinet voor meer vastigheid zorgt. Wittebol: ,,Ouders willen, nu het beter gaat met de economie, graag weer gebruik van de kinderopvang maken maar blijven huiverig over de rijksbijdrage. Ze vragen zich af of de kosten volgend jaar wel hetzelfde zullen zijn.’’[4] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. vastigheid op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Standaard 5 DECEMBER 2017
  4. Tubantia Eefje Oomen 03-JULI-2017
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be