vastberadenheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·be·ra·den·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vastberadenheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vastberadenheid v [1]

  1. zonder op besluiten terugkomend
    • Op het bordje aan de voet van de boom schrijft de Society of European Affairs Professionals: *“Belangrijke kwesties moeten worden opgelost via discussie en besluitvorming, met vastberadenheid, geduld en toewijding. [2] 
    • Zijn bewegingen zijn resoluut, zijn kin is hoog geheven. Wat Albert vooral ziet, is de heldere en directe blik van de luitenant. Een en al vastberadenheid. Opeens wordt hem alles duidelijk, alles. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen