varða

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Oudnoords

Woordafbreking
  • var·ða
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
varða
varðar
varðaði
varðat
Klasse 6 sterk volledig

Werkwoord

varða

  1. afbakenen, afpalen
  2. beschermen, beschutten
  3. wachten
  4. verantwoorden

Zelfstandig naamwoord

[A] varða v

  1. een stenen wegteken
Verbuiging
[A] + [B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   varða         vǫrður        
genitief   vǫrðu         varðna        
datief   vǫrðu         vǫrðum        
accusatief   spǫrðu         vǫrður        

Zelfstandig naamwoord

[B] varða v

  1. last