vanzelfsprekend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • van·zelf·spre·kend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vanzelfsprekend vanzelfsprekender vanzelfsprekendst
verbogen vanzelfsprekende vanzelfsprekendere vanzelfsprekendste
partitief vanzelfsprekends vanzelfsprekenders -

Bijvoeglijk naamwoord

vanzelfsprekend

  1. overduidelijk geldend, zonder verdere uitleg duidelijk
    • Creativiteit en flexibiliteit zijn vanzelfsprekende vereisten. 
    • De band tussen school en kerk was vroeger een vanzelfsprekende zaak. 

Bijwoord

vanzelfsprekend

  1. iets dat geen verdere uitleg nodig heeft
    • Vandaag keek hij vanzelfsprekend niet meer zo tegen de dingen aan. Hij wist dat de oorlog niets anders was dan een reusachtige loterij met levensechte kogels, waarin vier jaar overleven aan het wonderbaarlijke grensde. [1] 
  2. automatisch zonder er verder bij na te denken
    • En bijna vanzelfsprekend bleef het museum opgraven in Egypte, waar het al sinds 1957 welkom is en onder meer heeft meegeholpen aan de internationale reddingsopgravingen rond de bouw van de Aswandam, en bij Sakkara graven heeft ontdekt van twee belangrijke functionarissen van Toetanchamon, generaal Horemheb en schatbewaarder Maya (en zijn vrouw Merit).[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 18
  2. NRC Theo Toebosch 11 mei 2018 Rijksmuseum van Oudheden: 200 jaar graven naar schatten in de grond