vanzelfsprekend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • van·zelf·spre·kend
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vanzelfsprekend vanzelfsprekender vanzelfsprekendst
verbogen vanzelfsprekende vanzelfsprekendere vanzelfsprekendste
partitief vanzelfsprekends vanzelfsprekenders -

Bijvoeglijk naamwoord

vanzelfsprekend

  1. overduidelijk geldend, zonder verdere uitleg duidelijk
    • Creativiteit en flexibiliteit zijn vanzelfsprekende vereisten. 
    • De band tussen school en kerk was vroeger een vanzelfsprekende zaak. 

Bijwoord

vanzelfsprekend

  1. iets dat geen verdere uitleg nodig heeft
    • Het is vanzelfsprekend dat niemand weet hoe die jongen heet die net de winkel overviel. 
  2. automatisch zonder er verder bij na te denken
    • En bijna vanzelfsprekend bleef het museum opgraven in Egypte, waar het al sinds 1957 welkom is en onder meer heeft meegeholpen aan de internationale reddingsopgravingen rond de bouw van de Aswandam, en bij Sakkara graven heeft ontdekt van twee belangrijke functionarissen van Toetanchamon, generaal Horemheb en schatbewaarder Maya (en zijn vrouw Merit).[1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen