valselijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • val·se·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van vals met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-

Bijwoord

valselijk

  1. op basis van onwaarheden
    • Hij werd valselijk voor moordenaar uitgemaakt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.