valoir
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| valoir /va.lwaʁ/ |
valais /va.lɛ/ |
valu /va.ly/ |
| volledig | ||
valoir
- overgankelijk waard zijn; van een bepaalde prijs zijn
se valoir
- wederkerend evenveel waard zijn; dezelfde waarde hebben
- wederkerend (spreektaal) tegen elkaar opwegen
- «Ça se vaut, tu sais bien.»
- Dat is één pot nat, dat weet je best. [2]
- «Ça se vaut, tu sais bien.»