vakkundigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vak·kun·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vakkundigheid vakkundigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vakkundigheid v [1]

  1. de mate waarin iemand bekwaam is in het uitoefenen van een beroep
    • Oprechte bewondering voor de vakkundigheid, de geweldige creativiteit en de schitterende presentatie van deze nieuwe revue ‘Puur Natuur’. [2] 
    • Bouwopleiding Gelderland-Oost verzorgt de scholing voor volwassenen en schoolverlaters van het voortgezet onderwijs uit de regio. Volwassenen kunnen zich er laten omscholen, werknemers die al in de bouw actief zijn, kunnen hun vakkundigheid op peil houden. [3] 
    • Er is veel kaf onder het koren in de zorg. Hoe vind je een betrouwbare zorgverlener? Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft een website gemaakt waarop de kwaliteit van zorgverleners wordt beoordeeld. Op de kwaliteitskaart van iedere zorgverlener wordt met een sterren-systeem aangegeven hoe het bijvoorbeeld gesteld is met de vakkundigheid, de aandacht voor de cliënt, de voorlichting en vervanging bij ziekte. [4] 
Synoniemen


Gangbaarheid

Verwijzingen