Naar inhoud springen

vago

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  vago     la vago     vagos     les vagos  

vago v

  1. (spreektaal) wagen, sjees, bak
    «Je vais épater la galerie avec ma superbe vago
    Ik ga de blits maken met mijn vette bak. [1]


  • va·go
enkelvoud meervoud
vago vagos

vago m

  1. luilak
  enkelvoud meervoud
mannelijk vago vagos
vrouwelijk vaga vagas

vago

  1. lui
  2. vaag
  3. zwervend
vervoeging van
vagar

vago

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van vagar