vaderhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • va·der·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaderhuis vaderhuizen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaderhuis o [1]

  1. (plechtig) ouderlijke woning, huis zoals een goede vader dat achterlaat voor zijn kinderen
    • De mascotte van dit ijle fatsoen is Dirk Kuijt. Prachtige voetballer, lieve jongen, pretentieloze volksheld, maar dat hij van Feyenoord een vaderhuis maakt dat hem geld mag kosten, is mij iets te kostschoolachtig. En dus verdacht. Dirk wou niet meer naar het buitenland. Als het er ooit van komt, zal hij Feyenoord verlaten als modelprof. Door de grote poort. "Dat verdient deze club." Je zult het de rechts-populisten van Leefbaar Rotterdam niet horen zeggen. Senator Dirk Kuijt. [2] 
  2. (figuurlijk) (religie) de hemel, opgevat als de verblijfplaats van God
    • "Een leider van formaat is Vader en Moeder ineen. Hij stelt de Wet en waakt over de samenhang in de kudde. Hij is streng en barmhartig. Hij is ongenaakbaar en begripvol ... Hij zal de goede herder zijn, die ons geleidt naar het vaderhuis. Laten wij ons voorbereiden op zijn komst." Vervolgens stelt hij zichzelf Mozes ten voorbeeld. "Ik ben gereed. U ook? Op weg naar het beloofde land!" [3] 

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC H. Camps 3 september 2005 Held
  3. NRC E. Etty 23 maart 2002 Lach dan, Paljasso