vaccineren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vac·ci·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vaccineren
vaccineerde
gevaccineerd
zwak -d volledig

Werkwoord

vaccineren [3]

  1. overgankelijk een injectie met een vaccin geven
    • De gezondheidsdienst vaccineert kinderen tegen meningokokken. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen