vaatje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • [1], [2] vaat·je
  • [3] va·tje
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] vat met het achtervoegsel -je met klinkerverlenging /ɑ/ naar /a/
  • [2] vaat met het achtervoegsel -je
  • [3] va met het achtervoegsel -tje gespeld met aa vanwege de uitspraak

Zelfstandig naamwoord

vaatje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord vat
  2. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord vaat
  3. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord va
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.