vaarboom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een punter voortbewegen met een vaarboom
Uitspraak
Woordafbreking
  • vaar·boom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaarboom vaarbomen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaarboom m [1]

  1. lange stok of paal waarmee men een schip vooruit kan bewegen in niet al te diep water
    • Het 'Venetië van het Noorden'ligt even ten oosten van Nederland. Auto's komen er niet, Giethoorn is een dorp van waterwegen en bruggen. Waar in Venetië de gondel het vervoermiddel is, verplaatst men zich in Giethoorn per punter. De schippers duwen deze lage, houten pramen met de vaarboom door de sloten en kanalen.[2] 
    • Onbetwist het mooiste Fortuyn-filmpje in het archief van Beeld en Geluid is de NOVA-reportage waarin Fortuyn in een roeiboot door de Hofvijver wordt gevaren om zijn aspiraties voor het premierschap ook visueel kracht bij te zetten. Ideetje van de – ook al betreurde – verslaggever Niels Cornelissen, met als onvergetelijk beeld dat Pim Fortuyn, sigaar in de mond geklemd, de vaarboom doorgeeft, zijn handen aan het streepjespak afveegt en mompelt: ‘Wie dit bedacht heeft*?’[3] 
    • „Vorig jaar liep ik hier met een groep Koreanen. Totdat ik de vaarboom door het veen prikte. Ze wisten niet hoe snel ze weer in de boot moesten komen”, zegt Fokkema. De Haan buigt zich even verderop voorover en plukt enthousiast een piepklein plantje uit het veen. „Groen schorpioenmos”, zegt hij. „In Europa uiterst zeldzaam.”[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 28 FEBRUARI 2009
  3. Volkskrant 7 september 2006,
  4. NRC Wilmer Heck 16 februari 2007