utiliseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uti·li·se·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

utiliseren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
utiliseren
utiliseerde
geütiliseerd
zwak -d volledig
  1. op een nuttige manier ergens gebruik van maken
    • Dat is allemaal al weer lang geleden, maar de dilemma's klinken vertrouwd. De pogingen in deze tijd tot utilisering en mercantilisering van het hoger onderwijs zijn waarschijnlijk niet het einde, maar pas het begin van een nieuw conflict over het idee van de universiteit. [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen