urineerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uri·neer·de

Werkwoord

vervoeging van
urineren

urineerde

  1. enkelvoud verleden tijd van urineren
    • Ik urineerde. 
    • Jij urineerde. 
    • Hij, zij, het urineerde.