ultraviolet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ul·tra·vi·o·let
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van violet met het voorvoegsel ultra-, voorbij het violet
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ultraviolet ultravioletter ultravioletst
verbogen ultraviolette ultraviolettere ultravioletste
partitief ultraviolets ultravioletters -

Bijvoeglijk naamwoord

ultraviolet

  1. (natuurkunde) van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
    • De ozonlaag beschermt tegen de ultraviolette stralen van de zon. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be