ultimo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ul·ti·mo
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

ultimo

  1. op de laatste dag van de maand
  2. op de laatste dag van het jaar
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders
65 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Latijn

Bijwoord

ultimo

  1. laatst, voor het laatst
  2. verst verwijderd

Bijvoeglijk naamwoord

ultimo

  1. datief mannelijk enkelvoud van ultimus
  1. datief onzijdig enkelvoud van ultimus
  1. ablatief mannelijk enkelvoud van ultimus
  1. ablatief onzijdig enkelvoud van ultimus
Overerving en ontlening


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
ultimar

ultimo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van ultimar