uitzitten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·zit·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitzitten
zat uit
uitgezeten
klasse 5 volledig

Werkwoord

uitzitten

  1. overgankelijk de relatief lange tijd dat men ergens hoort te zijn daar ook inderdaad blijven
    • Die straffen worden zelden in hun geheel uitgezeten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.